artikelen index / bibliotheekindex
Plantennamen leven ook!
| Sinds precies 100 jaar (reden om er aandacht aan te besteden) en pas 150 jaar nadat Linnaeus internationaal de nomenclatuur op orde bracht, werd een begin gemaakt met standaardisering van de Nederlandse plantenvolksnamen. Zo'n 50 jaar geleden volgde de List van offisiële Fryske plantenammen. De namen hebben ook mijn speciale interesse: onder bovenstaande titel heb ik verschillende cursussen gegeven aan gevorderde liefhebbers. Alleen het spreken over plantennamen is avondvullend. Aan de hoeveelheid boeken over de nomenclatuur van planten is zichtbaar dat er veel belangstelling bestaat hoe een plant heet. En met achtergronden: ook etymologisch zijn de namen van planten al goed doorgespit, hoewel ik daar alleen een Duits boek over kon vinden: het 400 pagina's tellende Etymologisches Wörterbuch der botanischen Pflanzennamen door H.Genaust , uitgegeven door Birkhäuser Verlag te Basel in 1976 | ![]() |
"Ingevolge besluit van het Hoofdbestuur der Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging, genomen op 27 December 1902 is eene Commissie benoemd, die zal trachten eenheid te brengen in het gebruik van de Nederlandsche plantennamen". In 1904 kwam er een "voorloopige lijst" uit. Een vervolg hierop had als resultaat het Woordenboek der nederlandsche volksnamen van planten, uit de gegevens verzameld door de commissie voor Nederlandsche plantennamen, bewerkt door H.Heukels, secretaris der commissie, oorspronkelijk uitgegeven door W.Versluys in 1907. In 1987 gaf de KNNV er een herdruk van uit. Een uiterst gedegen werk, wat honderd jaar geleden nog mogelijk was te onderzoeken, want de volksnamen zijn evenals de dialecten zelf, nu snel aan het verdwijnen. Daarbij komt een geweldige afname van natuurkennis van leken, wat zich de laatste decennia versneld doorzet. Ik kan me niet voorstellen dat mensen de volgende plant niet kennen: een willekeurig voorbeeld (ik had ook de iris, paardebloem, sneeuwklok, aardbei of meidoorn kunnen nemen) van een plant met erg veel streeknamen is het zevenblad (Aegopodium podograria). Als vlier en brandnetel: een echte cultuurvolger die op oude plekken in het milieu van de stinzenplanten groeit, maar zich ook in verwaarloosde nieuwe tuinen thuis voelt. De plant heeft veertig verschillende namen in Nederland en nog eens twintig in Vlaanderen. Om met Groningen te beginnen: Keesblom (de bloemen lijken op geraspte kaas), drieblad (jonge planten hebben een samengesteld blad met drie blaadjes, oudere met zeven), haneklauw, hanepoot, heers, hirs, krejenpoot en krup-deur- toen. Vlaamse namen zijn: jichtkruid, vlienderkruid, wilde geeraard, wulle flier, aardvlinder, trichum, landsloof en onderhaag. Duidelijk is hiermee hoe belangrijk het was dat er een algemeen gebruikte naam zou zijn, zoals dat internationaal al zolang daarvoor gebruikelijk werd. Een naam draagt overigens meer in zich dan je op het eerste gezicht zult denken: hij vertelt soms ook iets over groeikracht (heers), religie, vooroordeel, taboe, bijgeloof of folklore. Neem bijvoorbeeld de paardebloem die wel erg veel volksnamen kent: dit zegt iets over voeding (molsloat, pisbloem, salaad, zeiksla en veldsla); religie (papestoel, paapmuts), of wat kinderen ermee doen (kaasjes, pluimbol, kettingbloem, kettekroet).
![]() |
Voornoemde cursus gaat niet alleen over streeknamen: ook over schrijfwijze, uitspraak, klemtonen, regels van de botanische nomenclatuur en vooral ook de betekenis van de namen, waardoor ze veel gemakkelijker zijn te onthouden. Maar ook hoe de planten in het botanisch systeem zijn ingepast. Familienamen, namen van orden en klassen; alle hebben een andere uitgang, waarmee alleen aan de naam al veel is af te lezen. Ook in de vegetatiekunde met klassen en verbonden hebben ze weer andere uitgangen. Aan een plantennaam is behalve bloemkleur, groeiplaats, eigenschap, naar wie de plant is genoemd of de ontdekker ervan dus erg veel meer te zien en het laatste zal er dus nog niet over zijn geschreven. |